(Mijn tweede verhaal voor De Journalist is ook uit, dit keer over de media in China. Hier voor de niet-journalisten).
Wie de Nederlandse media napluist op de berichten over de Chinese media kan licht in een depressie terechtkomen. Gearresteerde journalisten die, al dan niet met hulp van Yahoo in de problemen geraken. Nieuwe maatregelen om media te breidelen en de niet aflatende censuur wisselen elkaar af.
Hoewel die berichten vaak op zichzelf terecht zijn, scheppen ze een beeld van onderdrukking, stagnatie en gebrek aan veranderingen in Chinese media dat niet correct is. De Westerse media hebben de neiging China als een karikatuur neer te zetten, gebaseerd op oude cliches.
In de afgelopen vijftien jaren zijn de Chinese media door een serie veranderingen gegaan die het speelveld dramatisch hebben veranderd. De Chinese samenleving – hoewel verre van perfect – is deels geliberaliseerd en de burgers kunnen relatief ongestraft vertellen wat ze van de wereld, hun wereld en de autoriteiten vinden.
De autoriteiten houden de schijn van controle overeind, geholpen door de journalisten. Journalisten kunnen in uitzonderingsgevallen het slachtoffer van die controle zijn, maar voeren die over het algemeen zelf uit. Censuur in China is geen strak georganiseerd instituut, maar een relatief chaotisch systeem dat sterk verschilt van medium tot medium, van tijd tot tijd, zelfs van persoon tot persoon.
De marktwerking is de drijvende kracht achter veel van de veranderingen in de media. Tot halverwege de jaren negentig waren de media niet alleen staatseigendom - dat zijn ze nog steeds - maar zorgde de staat ook voor de financiering. Omdat die staatssteun langzamerhand is verdwenen, moesten al die media gaan professionaliseren. Plotseling moest een hele generatie journalisten, die als bezoldigd woordvoerder van de overheid waren opgetreden, zich gaan bezighouden met de vraag wat hun publiek of de adverteerders wilden.
Die veranderingen waren verwarrend voor het publiek. “Vroeger wisten we tenminste dat alles gelogen was,” vatte een lezer dat voor me samen. “Toen las je in de media dat waarvan de overheid vond dat je dat moest weten. Nu kan de helft van de verhalen echt waar zijn, maar we weten nog steeds niet goed welke helft.”
Het gaf een aantal journalisten ook de kans met echte onthullingen te komen, bijvoorbeeld door de corruptie aan de kaak te stellen, zolang het niet te hoog in de hierarchieke ladder kwam. Maar het was vaak niet uit nobele journalistieke motieven dat die onthullingen in de media kwamen: die verhalen verkochten goed en die commerciele drijfveer heeft een positieve invloed gehad.
Soms waren die initiatieven heel succesvol en dat leverde goedlopende journalistieke producten op. Meer dan eens kwam het interne controle apparaat – want de censor was gewoon blijven bestaan – in actie en maakte de ganzen met de gouden eieren snel een kopje kleiner. Dat gebeurde bijvoorbeeld in december vorig jaar toen het suksesvolle Beijing News door ingrijpen van de autoriteiten haar hoofdredactie verloor, temidden van emotionele taferelen, die uitvoerig op internet beschreven werden.
Omdat de advertentiemarkt gigantisch is gegroeid in de afgelopen vijftien jaren, met groeicijcers tot 30 procent per jaar, maakte het tekortschieten van de journalistieke kwaliteit niet zoveel uit. Voor de Chinezen was er al heel wat te beleven, vergeleken met vroeger. En winst maken bleek in veel gevallen niet zo’n grote kunst te zijn vanwege die enthousiaste adverteerders. De aantallen kranten, bladen en TV-zenders explodeerden in pogingen dat geld binnen te halen.
Dat betekende ook dat behalve het wegkappen van veel dor hout uit het verleden, weinig energie is gestoken in het verbeteren van de mediaproducten. Zo heeft CCTV, de centrale zender uit Peking, in vijftien jaren tijd tweederde van haar kijkers verloren. Deels vanwege de groeiende concurrentie, maar nog veel meer omdat de kijkers wel iets beters te doen hebben dan naar de vaak oervervelende programma’s van de TV-zenders te kijken.
Toen het mediaonderzoeksbureau Nielsen eerder dit jaar suggereerde dat het tijd was om het aantal van driehonderd Chinese testgezinnen voor het hele land eind 2007 uit te breiden tot 17.000 om betrouwbaardere kijkcijfers te krijgen, was CCTV een van de eerste partijen die afhaakte. Zij hebben geen belang bij een peiling die aangeeft hoeveel ze van hun oude invloed kwijt zijn.
China heeft geen systeem om de beweringen van bladen over hun oplagecijfers te toetsen, maar de indruk bestaat dat de dagbladen snel hun lezers aan het verliezen zijn. Bijvoorbeeld het ooit populaire Xinmin avondnieuws uit Shanghai telde tien jaren geleden drie miljoen lezers en was een van de populairste dagbladen, omdat ze meer dan het officiele nieuws brachten. Hun oplage was vorig jaar terug gelopen tot 1,4 miljoen exemplaren.
“Paniek, een ander woord heb ik er niet voor,” zegt een journalist van het blad. “Ze worden alleen nog maar door de ouderen gelezen en zijn niet in staat jongeren aan zich te binden.”
In de eerste helft van 2005 bleek bovendien een einde gekomen te zijn aan de fantastische groei uit de advertenties, waaraan de industrie zich vijftien jaren had kunnen optrekken. Het enige medium dat kon doorgroeien was internet.
De relatie tussen de traditionele media en internet is iets gecompliceerder dan alleen een financiele. Toen China in de tweede helft van de jaren negentig aansluiting kreeg op het internet deden de nieuwe internetbedrijven iets vanzelfsprekend: ze begonnen journalisten te recruteren. Bij de overheid brak toen paniek uit, plotseling hadden ze een nieuw medium gemaakt zonder een langdurige traditie van zelfcontrole en censuur. De Chinese overheid loste dat dilemma pragmatisch op. Ze verbood internetbedrijven journalisten aan te nemen. Portalen en andere internetbedrijven mochten in de toekomst alleen berichten publiceren die al in een officieel medium waren verschenen. Die konden ze dan wel voor niks of bijna voor niks overnemen.
Aanvankelijk probeerde de internetbedrijven die regels te omzeilen, maar dat lukte uiteindelijk niet. De internetredacteuren maakten toen van de nood een deugd. Ze wisten door nieuws te herverpakken een veel aantrekkelijker product te maken dan de orginele kranten. Doordat ze geen geografische beperkingen hadden en veel sneller waren dan de oorspronkelijke bronnen, was hun kwaliteit vaak veel beter.. Ze waren ook veel sneller dan de diverse overheden berichten konden verbieden. Een bericht was vaak al honderden keren over het internet gepubliceerd voordat de censor ook maar iets in de gaten had. Censuur bleek steeds minder te werken.
Steeds meer Chinezen produceren nu verder zelf inhoud voor internet. Podcasting is ongehoord populair en het land kent tussen de 30 en 40 miljoen weblogs. De overheid gaat daar relatief ontspannen me om. Allereerst is nog maar een klein deel van de bevolking online: nog steeds minder dan tien procent. Internet concentreert zich bovendien op de brave intellectuele elite. Dat wat online verschijnt is vooral sexueel grensverleggend. Internet blijkt, in tegenstelling tot de aanvankelijke vrees, niet vanzelfsprekend tot de ondergang van autoritaire regimes te leiden. Omgekeerd, de centrale overheid heeft internet in haar eigen voordeel kunnen gebruiken omdat ze nu voor het eerst in China’s lange geschiedenis kan weten wat er in het land gebeurt.
Veel meer dan bijvoorbeeld in Europa ziet de Chinese overheid internet als een nutsvoorziening. In de komende jaren gaat China de derde generatie mobiele telefoons aanleggen, zeg maar, breedband via de mobiele verbindingen. Door de prijs laag te houden, zeg een drie euro per maand, wil ze in vijf tot tien jaren tijd het aantal mensen online verdubbelen tot 250 miljoen.
Dat betekent dat na het begin van de internetrevolutie, de Chinese mediawereld zich opmaakt voor een tweede even sensationele revolutie in de communicatie.
Fons Tuinstra